Veelgestelde vragen

Populaire vragen

  • Loonkostensubsidie wordt ingezet om mensen aan de slag te helpen en te houden op de arbeidsmarkt. Voordat de feitelijke dienstbetrekking wordt aangegaan met een werkgever, kunnen mensen tijdelijk onbeloond op de beoogde arbeidsplaats geplaatst worden. 
  • Zij behouden dan recht op uitkering. 
  • Tijdens deze plaatsing krijgen werkgever en werknemer een beeld van de productiviteit van de werknemer op de werkplek, van zijn of haar loonwaarde. Dat is van belang om de loonwaarde goed vast te stellen en de hoogte van de loonkostensubsidie te bepalen. De loonkostensubsidie is immers het verschil tussen WML en de vastgestelde loonwaarde, met als maximum 70 procent van het WML
  • Verder kan in deze periode worden bekeken of nog andere voorzieningen moeten worden ingezet.

Bron: SZW

Pagina's

De subsidieregeling IPS is geoormerkt budget binnen het huidige re-integratiebudget van UWV, dus het zijn geen extra gelden. Het re-integratiebudget is bedoeld voor UWV klanten en daarom kunnen gemeenten hier geen beroep op doen.

Loonkostensubsidie kan samengaan met andere voordelen, zoals de premiekorting/mobiliteitsbonus doelgroep banenafspraak. Voor de loonkostensubsidie maakt het niet uit of er een indicatie banenafspraak is of niet. 

Het instrument loonkostensubsidie kan door de gemeente worden verstrekt aan een werkgever die iemand in dienst neemt uit de doelgroep Participatiewet die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. De hoogte van de loonkostensubsidie is het verschil tussen het wettelijk minimumloon (voor jongeren het wettelijk minimumjeugdloon) en de vastgestelde loonwaarde op de werkplek, met als maximum 70% van het WML.

De werkgever kan daarnaast met ingang van 1 januari 2016 aanspraak maken op een premiekorting (mobiliteitsbonus) van maximaal € 2.000,- per jaar (maximaal 3 jaar) als hij iemand in dienst neemt uit de doelgroep van de banenafspraak. Deze premiekorting is een fiscaal instrument dat de werkgever via de loonaangifte kan aanvragen bij de Belastingdienst en een extra stimulans om werkgevers over de streep te trekken iemand aan te nemen. Deze premiekorting geldt voor de periode 2016 tot en met 2021. Er is ook een premiekorting voor oudere werklozen maar als iemand ook onder de doelgroep banenafspraak valt gaat die voor.

Het lage-inkomensvoordeel (LIV) is een nieuw fiscaal instrument vanaf 1 januari 2017. Werkgevers komen hiervoor in aanmerking bij werknemers, ook in beschut werk, die tussen 100 en 120% van het WML verdienen en tenminste 1248 uur per jaar werken. Het voordeel is maximaal € 2000,- per jaar. In principe wordt het voordeel geanticumuleerd met de premiekorting voor de doelgroep banenafspraak (in 2017 kan het wel cumuleren). Het LIV is structureel. Vanaf 2021 geldt het LIV structureel voor werknemers uit de doelgroep banenafspraak en beschut werk die aan deze voorwaarden voldoen.

Regelhulp

Voor de premiekortingen, het LIV en de loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaat een regelhulp, die het voor werkgevers inzichtelijk maakt waar zij recht op hebben en met ingang van wanneer.

Info@samenvoordeklant.nl 

Heeft u ook een vraag, stuur dan een e-mail naar info@samenvoordeklant.nl 

Ja. Een baan van meer dan 25,5 uur telt mee als meer dan één baan, dus ook naar rato. Zie ook de brief aan de Tweede Kamer over de nulmeting.

NB: De omvang van een gemiddelde baan is bijgesteld. Op basis van de nulmeting hebben we het gemiddeld aantal uren voor een baan van iemand uit de doelgroep bijgesteld tot 25,5 uur.

Achtergrond bij vraagstelling: De vraagsteller wil met een groot bedrijf een afspraak maken over een arrangement waarbij een relatief grote groep bijstandsgerechtigden aan het werk gaat met een gemiddelde loonwaarde van 70%. Na een jaar wil de vraagsteller uit de gemeente met het bedrijf een verhoging van die loonwaarde van die hele groep afspreken (e.e.a. gebaseerd op de inschatting van gemiddelde loonwaardestijging van de doelgroep. Voor het 2e jaar is dan bijv voor heel die groep de loonwaarde 75%).

Antwoord:
Ja, gemeenten zijn verplicht om voor iedere individuele cliënt op een objectieve wijze de loonwaarde vast te stellen. De beschreven aanpak is dus op grond van wet- en regelgeving niet mogelijk. Voor de eerste zes maanden is het mogelijk om de zogeheten forfaitaire loonkostensubsidie van 50% van het wettelijk minimumloon te hanteren.

Dit is een voorgenomen wettelijke maatregel die per 1 januari 2017 van kracht zal gaan en waarop geanticipeerd mag worden vanaf 5 juli 2016. De hierboven beschreven aanpak is op grond van wet- en regelgeving niet mogelijk. De Participatiewet is hier duidelijk over. Dit blijkt bij voorbeeld uit art. 10d, eerste lid:
Indien een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, stelt het college de loonwaarde van die persoon vast. Indien die dienstbetrekking tot stand komt verleent het college loonkostensubsidie aan de werkgever.

Het blijkt ook uit het besluit loonkostensubsidie, met name artikel 2, eerste lid:
Het college stelt de loonwaarde schriftelijk vast op basis van de feitelijke werkzaamheden op de werkplek van een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie bij de werkgever en met inbreng van de werkgever, die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan dan wel een dienstbetrekking is aangegaan met die persoon.

De loonwaarde moet dus op zorgvuldige en objectieve wijze op individueel niveau op de werkplek wordt bepaald. Dit kan niet per groep gebeuren.

Voor de goede orde voegt SZW de volgende noties aan toe:

Vaststelling van de loonwaarde is in de Participatiewet van belang om de hoogte van de loonkostensubsidie te bepalen. Loonkostensubsidie kan worden ingezet als iemand uit de doelgroep Participatiewet met arbeidsvermogen minder dan het WML kan verdienen. De hoogte is het verschil tussen het WML en de vastgestelde loonwaarde. De prestaties van iemand met beperkingen worden vergeleken met de prestaties van een werknemer zonder beperkingen op diezelfde werkplek.

Loonwaarde is de productiviteit van iemand, uitgedrukt in een percentage van het functieloon. Dit percentage kan voor dezelfde persoon op verschillende werkplekken anders uitpakken. Zo kan het zijn dat iemand met beperkingen verschillende loonwaardes kan hebben in verschillende functies. Iemand met een autistische stoornis kan bijvoorbeeld een (relatief) hoge loonwaarde hebben als programmeur, maar een veel lagere loonwaarde hebben wanneer hij in de horeca zou werken. Of iemand die rolstoelgebonden is, kan misschien een hoge loonwaarde hebben met secretarieel werk, maar een lage loonwaarde in een autogarage. De loonwaarde is dus afhankelijk van de prestaties van een persoon en de werkplek tezamen. Om iets te kunnen zeggen over de loonwaarde moet worden bekeken hoe een individueel persoon op een bepaalde plek functioneert. Het is niet mogelijk loonwaarde op theoretische basis te vast te stellen.

Werkgevers kunnen niet voor werknemers die zij al lang in dienst hebben loonkostensubsidie aanvragen bij de gemeente.

De Participatiewet is met ingang van 1 januari 2015 van kracht. Het eerste lid van artikel 10d Pwet bepaalt:
1. Indien een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, stelt het college de loonwaarde van die persoon vast of wordt er voor maximaal de eerste zes maanden forfaitaire loonkostensubsidie van 50% van het wettelijk minimumloon ingezet (vanaf 5 juli 2016). Indien die dienstbetrekking tot stand komt verleent het college loonkostensubsidie aan de werkgever.

Op dit moment wordt onderzocht of het mogelijk is om mensen van wie op basis van een gevalideerde loonwaardemethode op de werkplek een loonwaarde beneden het WML is vastgesteld (de zogenaamde praktijkroute), zonder beoordeling door UWV in het doelgroepenregister op te nemen.

Het onderzoek is bedoeld om voldoende en objectieve gegevens te verkrijgen naar aanleiding waarvan in oktober 2016 kan worden besloten of de praktijkroute kan worden ingevoerd. Vooruitlopend daarop wordt een wetswijziging voorbereid. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2017.

Gemeenten kunnen het instrument loonkostensubsidie uit de Participatiewet met ingang van 1 januari 2015 dus inzetten voor mensen uit de doelgroep loonkostensubsidie. Dit zijn mensen uit de doelgroep van de Participatiewet (uitkeringsgerechtigden of niet-uitkeringsgerechtigden) met arbeidsvermogen die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Gemeenten bepalen ambtshalve wie tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Mensen uit de doelgroep kunnen daarnaast ook zelf een schriftelijke aanvraag indienen om tot de doelgroep loonkostensubsidie te behoren. Na de match met een werkgever die iemand uit de doelgroep loonkostensubsidie in dienst wil nemen moet de loonwaarde worden bepaald. Dit gebeurt op de werkplek. De loonkostensubsidie is het verschil tussen het WML en de vastgestelde loonwaarde.

 

Dat is geregeld bij lagere regelgeving. Op grond van art 38f, vierde lid, van de Wfsv kunnen bij ministeriële regeling nader te bepalen groepen/indicaties aan de doelgroep worden toegevoegd. In de regeling Wfsv wordt deze gelijkstelling geregeld.

Voor de bepaling van de loonkostensubsidie is in de eerste plaats het wettelijk kader leidend.

De hoogte van de loonkostensubsidie is geregeld in artikel 10d, vierde lid van de Participatiewet. Hierin staat dat de loonkostensubsidie het verschil is tussen het wettelijk minimumloon vermeerderd met de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de loonwaarde van die persoon vermeerderd met de voor die persoon naar rato van de loonwaarde rechtens geldende vakantiebijslag. De loonkostensubsidie is ten hoogste 70% van het totale bedrag van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantiebijslag op grond van artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De loonkostensubsidie en het daaraan gestelde maximum worden vermeerderd met een bij ministeriële regeling nader te bepalen vergoeding voor werkgeverslasten. De vergoeding voor werkgeverslasten is thans 23 procent van de loonkosten waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt.

Voor de bepaling van de loonkostensubsidie is dus ook de hoogte van de loonwaarde van belang. In de Participatiewet is het begrip loonwaarde gedefinieerd in artikel 6, eerste lid, onderdeel g. Loonwaarde wordt hier omschreven als een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De bepaling van de loonwaarde gebeurt aan de hand van een gekozen methode *). Om het “rechtens geldende loon” vast te stellen moeten naar het oordeel van het ministerie alle loonbestanddelen meegeteld worden die de werknemer rechtens toekomen. Dus als een cao op betrokkene van toepassing is waarin een bepaald loon wordt vastgelegd met daarnaast bepaalde emolumenten/toeslagen, zoals bijvoorbeeld een 13e maand, en die extra’s horen bij de functie van betrokkene en komen ook andere werknemers in die functie toe, dan is de werkgever op grond van de Wet op de cao verplicht om die ook aan een werknemer die met loonkostensubsidie aan de slag gaat te betalen. Dat is zijn rechtens geldende loon. Als in de cao bijvoorbeeld een toeslag wordt toegekend voor werkzaamheden die deze werknemer niet verricht (bijvoorbeeld werkzaamheden op bepaalde tijdstippen zoals in geval van onregelmatige diensten) dan hoeft een dergelijke toeslag naar het oordeel van het ministerie niet te worden meegenomen in het rechtens geldende loon.

Overigens komt er op verzoek van de Werkkamer een college met deskundigen dat de maatstaven voor loonwaardebepaling moet actualiseren/doorontwikkelen. Dit wordt ondersteund door het onafhankelijke kwaliteits – en kennisinstituut Blik op werk.

 

*) Blik op Werk heeft een loonwaardegids uitgebracht met daarin gevalideerde loonwaardemethodes die ook voldoen aan de eisen van het Besluit loonkostensubsidie Participatiewet. Gemeenten/werkbedrijven kunnen hieruit een keuze maken.

 

Loonkostensubsidie is een subsidie aan de werkgever. Het biedt compensatie aan de werkgever voor het productieverlies dat hij lijdt als gevolg van het in dienst nemen van een werknemer met een arbeidsbeperking. Het biedt compensatie voor het brutoloon en de werkgeverslasten dat ligt tussen het wettelijk minimumloon en de loonwaarde van de werknemer, met een maximum van 70% van het bruto wettelijk minimumloon vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten. Loonkostensubsidie wordt nimmer aan een werknemer betaald en is dan ook geen vorm van inkomen waarover door een gemeente loon-of inkomstenbelasting moet worden afgedragen. De werkgever is natuurlijk wel inhoudings- en afdrachtplichtige over het loon dat hij aan de werknemer verstrekt.

Omdat loonkostensubsidie in het kader van de Participatiewet gefinancierd wordt uit het inkomensdeel, lijkt het alsof sprake is van een uitkering aan de werknemer. Dit is niet juist. De betaling van de subsidie komt boekhoudkundig ten laste van het inkomensdeel. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen via welke systemen zij hun administratie voeren. In de praktijk blijkt dat er gemeenten zijn die een aparte applicatie gebruiken om de subsidie aan werkgevers te verstrekken. Deze staat geheel los van de applicatie om uitkeringen te verstrekken.

Dit alles laat onverlet dat de loonkostensubsidie in de gemeentelijke statistieken op persoonsniveau moet worden geregistreerd. Dit is relevant in verband met de bij te houden monitor over de Participatiewet.

Nee, er zal vanuit de VNG of de Programmaraad geen modelbeschikking op dit onderwerp worden geproduceerd. De belangrijkste reden hiervoor is dat de loonkostensubsidie per gemeente anders wordt uitgevoerd. Een beschikking moet aansluiten bij die lokale werkwijze en dan is een landelijk model dus niet goed mogelijk.

 

Werkgevers kunnen vanaf 1 januari 2016 een beroep doen op een uniforme premiekorting (mobiliteitsbonus) voor mensen die onder de doelgroep van de banenafspraak vallen. Dan kan dus ook gaan om mensen met loonkostensubsidie. Maar niet voor alle mensen met loonkostensubsidie kan de premiekorting worden verkregen, want de doelgroep loonkostensubsidie en de doelgroep banenafspraak vallen niet volledig samen.

Voor de doelgroep banenafspraak stelt UWV vast of iemand met een beperking wegens ziekte of gebrek in staat is om per maand het wettelijk minimumloon te verdienen. Hiervoor hanteert UWV een methode aan de hand van drempelfuncties. Voor de doelgroep loonkostensubsidie stelt de gemeente vast of iemand in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. De gemeente bepaalt zelf in een verordening hoe de doelgroep loonkostensubsidie wordt vastgesteld. De doelgroep baanafspraak kan samenvallen met de doelgroep loonkostensubsidie. Maar dat wordt afzonderlijk vastgesteld. De doelgroep baanafspraak kan naast mensen met loonkostensubsidie ook mensen met een medische urenbeperking bevatten. Ook mensen met een medische urenbeperking kunnen immers niet altijd per maand het wettelijk minimumloon verdienen.

De hoogte van de premiekorting (ook wel: mobiliteitsbonus) bedraagt voor de doelgroep van de banenafspraak vanaf 1 januari 2016 maximaal € 2.000 per jaar op basis van een werkweek van 36 uur gedurende het volledige kalenderjaar. Werkt de werknemer minder dan 36 uur per week, of bestaat de dienstbetrekking niet het hele kalenderjaar, dan is er sprake van evenredig minder premiekorting. De premiekorting kan een werkgever maximaal drie jaar toepassen, zolang de dienstbetrekking met de werknemer bestaat. De premiekorting bestaat voor de periode 2016 tot en met 2020.

De premiekorting kan de werkgever toepassen via de loonaangifte door de indicatie voor de betreffende premiekorting in de loonaangifte op Ja te zetten (mits aan de voorwaarden wordt voldaan). Via de regelhulp premiekortingen kan een werkgever eenvoudig nagaan of recht op premiekorting doelgroep banenafspraak bestaat. Zie ook het instrument premiekorting banenafspraak in de toolkit.

 

Pagina's